conatus

conatus

Meandering between Darwin & Spinoza

Wondering about

essences and

essential forces

Homofilie is een ...afwijking?

nederlandsPosted by grim(m)burger 2012-06-09 17:47:38

Homofilie is een afwijking .. zoals mongolisme, albinisme, klompvoeten!? Dat schreef Prof. Em. Karel Evrard in een blad van Natuurpunt. En zie, niettegenstaande Natuurpunt, op basis van naam en uitgevers’ imago, heden ten dage, als een exclusief politiek correcte publicatie zou moeten kunnen beschouwd worden, werd Evrard van alle kanten besprongen.

Neem nu Camps Hugo, in De Morgen. Een deel van Vlaanderen ziet hem als cerebraal beest: weldoordachte zinnen die elke lezer plastisch, d.w.z. zonder zelf na te denken, pleegt te verstaan, die plakt hij geprangd op de voorpagina van een zogenaamde kwaliteitskrant.

In zijn eigen, meestal wat weerzinwekkende stijl verdenkt hij de achtentachtigjarige professor van onkunde, en erger. Anderen zijn hem in zijn stelling, zij het met ietwat meer eerbied voor medemensen, gevolgd. Mij komt het voor (niet sinds gisteren) dat heel wat mensen die in dit land mogen toeteren, in de eerste plaats veel lawaai maken. Wat weten inderdaad Camps, Dorien Colman en Amy Amkreutz (journalisten van De Morgen), Jean-Marie De Meester (voorzitter van Rood!West-Vlaanderen) plus de Weledelgeleerde Rector van UGent nota bene over erfelijkheid, psychologie, psychiatrie en statistiek? En wat weten zij dat Prof. Evrard niet zou weten?

Ik las mijn eerste boek over erfelijkheidsleer, toen nog verkocht onder de nederige titel “Cytologie” (uitgegeven door het in Vlaanderen en Nederland wereldberoemde ‘label’ Prisma/Aula), in 1967 – juist voor het uitbreken van de revolutie die aan de basis lag van vele post-modernistische rechten die, in het hedendaags politiek-correcte denken (waar helemaal geen denken aan te pas komt, maar uitsluitend tot een geconditioneerde reflex is herleid), zijn verworden tot sloganeske symbolen van een soort van slaafse wellevendheid.

In dat boek werd gesteld, zonder van filie of fobie te gewagen, dat de geslachtschromosomen niet altijd als XY (vrouw) of YY (man) te voorschijn kwamen. Soms ontdekte men XXXXY, XYYY, XXYY etcetera. Geleerden hadden ook toen al uitgevogeld dat sommige van deze combinaties tot niet-standaard gedrag leidden. Op dezelfde manier hadden ze ontdekt dat abnormale eigenschappen van chromosoom-21 tot mongolisme leidden.

Terwijl deze materie in de voorbije veertig jaar verder werd uitgesponnen, is aan de essentie ervan niet veel gewijzigd: het genotype bepaalt dikwijls het fenotype. Soms gebeurt dat radicaal op basis van dominantie, soms subtieler merkbaar op basis van combinaties, en soms gewoon sluimerend (met expressie in bepaalde contexten). Onder deze biologische wetmatigheden valt vooralsnog ook de eventuele predispositie tot homofilie, zoals trouwens homofobie daaronder valt.

Statistiek heb ik moeten studeren tot het me, met enige welvoeglijkheid gezegd, de strot uitkwam. Echter is zoveel statistiek niet nodig om de begrippen normaal, standaard en abnormaal te begrijpen. Inderdaad, als men statistische kenmerken uit één of andere populatie beschrijft, wordt “normaal” dikwijls herleid tot “gemiddeld”. Soms neemt men een “modus” als maatstaf van normaal (zoals in het onderwijs, waar ouders en leraars vaak niet echt goed begrijpen wat het eigenlijk impliceert) .

Welnu, hoezeer de media ook hun best doen om ons van het tegendeel te overtuigen, is homofilie noch het “gemiddelde”, noch het “modus” gedrag in onze maatschappij in het bijzonder, en in de populatie van “homo sapiens sapiens” in het algemeen. Uit onderzoek blijkt dat homofilie eigen is aan 7-8% van de bevolking. Bijgevolg kan dat, statistisch gesproken, geen kenmerk genoemd worden dat toegeschreven wordt aan een (statistisch) “normaal mens”. Dat betekent niet dat die homofiele mens – een statistisch buitenbeentje - geen respect of begrip verdient, of principieel laakbaar gedrag zou vertonen! Datzelfde geldt evenzeer voor de mongoloïde mensen, de abino’s en de klompvoetigen waarvan er, gelukkig, veel minder zijn!

Spijtig genoeg zijn er te hoge concentraties 'altrofielen' 'emoneuroten' in de hedendaagse toetergemeenschap, i.e. de alom-blazende media en aanverwanten, waar homofilie ostentatief meer geconcentreerd is dan in de gehele populatie. Zij doen hun uiterste best om homofilie als ‘doodnormaal menselijk gedrag’ naar voren te brengen en dat is het, statistisch op de keper beschouwd,dus niet. Als biologische expressie van het homo species, is homofilie een statistisch abnormale constellatie, veelal genetisch en ontogenetisch medebepaald, waaraan een observeerbaar, deels van de norm afwijkend gedrag is gekoppeld. Immers de norm op sexueel vlak blijft, vooralsnog, heterofilie.

De algemene gemeenschap van mensen dient dit gedrag op zich uiteraard als aanvaardbaar (en in die sociale zin ook als “normaal”) te ervaren, maar hoeft zeker niet te doen alsof het de allernormaalste zaak van de mensenwereld is, hoezeer sommigen zich ook inspannen om het op die manier voor te stellen! In die zin zou het wenselijk zijn om jaarlijks in de grote steden van Europa een “Guy & Girl Pride” te organiseren teneinde hun normaliteit ook op mediatieke wijze te onderstrepen, liefst zonder bacchanaal en mensonterend gedrag (in samenwerking met de reclamemakers van Studio Brussel, bijvoorbeeld).

De rationalisatie van Professor Evrard is dus helemaal niet van de pot gerukt: het is doodgewone wetenschap. Dat laatste is natuurlijk iets heel anders dan het pseudo-cerebrale gewauwel dat Camps, te midden van vele anderen die munt slaan uit politiek-correct gedrag, uit zijn hyperboloïde amygdalen slaat. Wat meer eerbied voor bewezen intellect zou Camps zeker sieren, maar met die gave kan hij wellicht niet dagelijks op de frontpagina van De Morgen schuimbekkend emoteren.

Grimbergen, 9 juni 2012

Honger & Democratie

nederlandsPosted by grim(m)burger 2011-02-27 05:01:19

Vanmorgen hoor ik op tv dat er in Irak betogingen, met doden, zijn geweest. Met name werd er een Iraaks-Canadese mevrouw geïnterviewd die een verhaal deed waaruit bleek dat ze “haar grootste angsten ooit” had uitgestaan in de straten van Basra, gisteren, na het vrijdaggebed,.

De nieuwsmaker (vroeger journalist genoemd) stelde dat het toch wel een vreemde situatie was in Basra. Immers, de Amerikanen zijn destijds binnengevallen om een dictator te verdrijven, nu was er een democratisch verkozen parlement en een regering (nvdr: dat hebben we zelfs in België nog steeds niet, neem ik aan). Wat is dan het probleem? zo vervolgde hij.

Daarop antwoordde de mevrouw: als de mensen in een land honger lijden, als twee miljoen weduwen niet worden geholpen, dan is dat geen democratische regering en geen democratische staat. Blijkbaar is haar opinie over democratie vermengd met een vorm die ik, ontdaan van zijn politieke connotaties, marxisme zal noemen. Het gaat dus om “algemene solidariteit”, of iets in die richting. Vooraf gezegd, indien democratie onverenigbaar is met “mensen die honger lijden of weduwen die niet voor hun kinderen kunnen zorgen”, dan zijn er mijns inziens, en op het eerste zicht, maar een handvol democratische staten in de wereld.

Mijn eerste reactie op dit alles was geen politieke, het was een humanitaire, doorspekt met socio-economische en filosofische aspecten. Laat ons dus even afstand nemen en ons proberen voor te stellen hoe we, in de context van onafgebroken menselijke noden in Irak (en, om actueel te blijven, tevens in alle Arabische landen waar het volk in opstand komt), deze situatie recht trekken. Hoe kunnen we het “hongerprobleem” (in de wereld) oplossen? Dat is een lange overpeinzing waard, en ongetwijfeld veel discussie, maar ik wil hier enkel een aanzet geven tot meer uitgebreide reflectie, met een paar beschouwingen.

Eerste vraag: is de roep naar voedsel, een roep naar het basisminimum om (makkelijk) in leven te blijven, of is het naar een niveau dat in de “westerse democratieën” de standaard is?

Over dat laatste hoeven we niet veel na te denken: dat is technisch, technologisch en wellicht logistiek onmogelijk, zeker als we bedenken dat we de klimaatverandering moeten stoppen! Het basisniveau, is dat mogelijk? Ik ben geen expert in die materie maar ben wel van mening dat, indien het al zou mogelijk zijn, het een twintigtal jaren zal vergen met extreme focus op de bestrijding van de honger door al de landen in de wereld samen. In die éne volzin zitten vele voorwaarden vervat, die uiterst moeilijk te realiseren zullen zijn, te meer daar in de armste landen – en dit is een historisch gegeven – de bevolkingsaangroei bovenmatig groot zal blijven. Maar stel …

Tweede vraag: stel dat dit “basis niveau” halen toch ongeveer mogelijk is. Dan blijft de vraag hoe we dat in deze wereld, op onze aarde, voor mekaar krijgen.

Gaan de westerse democraten, evenzeer als welvarende onderdrukten, minder eten en, eigenlijk en eindelijk, écht delen met diegenen die sterven van honger en ontbering? Of, indien we substantieel meer kunnen produceren, voor zover dat technisch en technologisch haalbaar is, gaan we dan een (veel) groter deel van onze budgetten ter beschikking stellen om meer voedsel te produceren (zonder winstbejag!? Met andere woorden, hoe krijgt “de wereld van de hebbers” het voor mekaar om solidair te zijn met de armsten? En, tussen haakjes, moeten de hongerigen iets doen als wederdienst? Bijvoorbeeld, minder nageslacht creëren?

De tijd ontbreekt – ook op een “zeedag” in de Stille Oceaan – om dit degelijk uit te spitten maar is het niet zo dat landsgrenzen, overal ter wereld en zonder aandacht te schenken aan de aspecten rond de verwerving van macht, in feite gemaakt zijn om solidariteit te beperken? Met andere woorden, om welvaart binnen een kleine groep bevoorrechten te houden? Is dat zelfs niet een akelig pijnpunt in de Europese Unie? Waarom zijn de regels in Chili voor bijstand anders dan in Argentinië – omdat de Andes hen scheidt? Wie betaalt of vergoedt het verschil?

Als al de Arabische landen morgen verenigd zijn (een politieke uitdaging weliswaar) en als zij als een halve maan aan een verenigd Europa (ook een uitdaging) grenzen, waarom zouden zij dan niet in Brussel komen betogen voor meer voedsel, als ze er zelf te weinig hebben? Het antwoord is simpel: omdat er een grens is, meneer, omdat we soevereiniteit hebben uitgevonden ter bescherming van de verworvenheden van welbepaalde wereldburgers, wat gepaard gaat – niet onbelangrijk, en heel dikwijls genegeerd in ontwikkelingsgebieden - met het doen naleven van een geheel van wetten en normen.

Als democratie veronderstelt dat mensen geen honger lijden, dan is er op aarde slechts plaats voor één land. Als je dan, “en passant”, bedenkt dat we van België twee landen willen maken, rond essentieel dezelfde problematiek als waar Irakezen in Basra voor willen sterven, dan moge duidelijk zijn dat “de wereld, één land” een doodgeboren kind is. En wat is dan de humane inhoud van onze “democratie”, waar we zo trots op zijn?

Grim(m)burger,

Prinsendam, zaterdag 26 februari 2011

Zee & Rivier - een sensoriële benadering

nederlandsPosted by grim(m)burger 2011-01-28 03:22:38

Het is vandaag een “zeedag”, tijd om even terug te bladeren en te mijmeren. Niettegenstaande de vooruitzichten op een kalme zee, heeft zij vanmorgen zomaar beslist om toch een beetje amok te maken. Er staan terug redelijk wat witte kopjes op de golven, en dat heeft o.m. wat gevolgen betreffende de plaats die je op een schip nodig hebt om gewoon rechtdoor te lopen. Gelukkig zijn de gangen smal!

In die context wou ik toch enige indrukken weergeven over de Oceaan en de Amazone, over de zee en de rivier. Dit is helemaal geen wetenschappelijke benadering maar een puur subjectieve weergave van gevoelens die, irrationeel gesponnen doch existentieel geworteld, opgeborreld zijn gedurende deze inmiddels 10000km “reis te water”.

Vanaf het moment dat we in Macapà verder de Amazone opstoomden leek er iets veranderd. Abstractie makend van avontuurlijke stormen en verschillende soorten schepen, vinden de meeste mensen waarschijnlijk water gewoon water (H2O) , en varen gewoon varen. Na drie duizend kilometer op de Amazone komt een mens, ongedwongen, toch tot wat diepere inzichten, en dan beperk ik me enkel tot water en varen, waarbij mensen en hun culturen niet worden meegenomen.

Na observeren, opnemen en verwerken van talloze beelden, geluiden, gewaarwordingen en geuren (smaken is niet echt aanbevolen) heb ik “zee” herleid tot EGO en “rivier” tot ALTER. Anders en summier gezegd, is de zee enkel met zichzelf bezig, en de rivier voornamelijk met anderen. Bij archetypen van macht en energie, zoals de Atlantische Oceaan en de Amazone, is dat overduidelijk. (Ik geef trouwens grif toe dat ik dit soort van gevoelens nooit heb ervaren tussen de IJzer en de Noordzee!) Uiteraard gaan deze uitspraken, en alles wat nog volgt, aan de naakte rede voorbij. Zoals ik in de aanhef gesuggereerd heb, is dit geen spinozistiscche exercitie, veeleer een ontdekking van sensoriële percepties.

Vooreerst stel ik vast dat een rivier “richting” heeft. Et is vanzelfsprekend maar ik heb er nooit bij stil gestaan. In feite heeft een rivier twee richtingen, één richting die op natuurlijke wijze stuwt, naar de monding, en een andere, exact tegengesteld, die energie vergt maar toch in één richting leidt. Een rivier heeft altijd richting, ook bij zware storm, ongeachte haar breedte. Zelfs de Amazone, die dikwijls op een zee gelijkt, heeft immer richting. Als uw doel op haar loop ligt, kan je ze blindelings volgen, er is geen vergissing mogelijk.

De zee daarentegen heeft helemaal geen richting. Ach, er zijn de grote, gekende stromingen op de oceanen, maar die worden regelmatig overhoop gehaald door atmosferische storingen, en zijn voor de individuele zeevaarder niet direct zichtbaar. Een rivier heeft geen last van gedonder. De zee leidt nergens naartoe, ze biedt uit zichzelf geen houvast en geen doel.

Of dat allemaal belangrijk is vraagt u? Voor de grote wetenschap wellicht niet, maar het is wel een opmerkelijk onderscheid. De zee bekommert zich niet om het doel van haar reizigers, de rivier wel – zij brengt hen stroomopwaarts of stroomafwaarts naar gekende plaatsen, zij ondersteunt “richting”.

Een ander aspect betreft de “golven”. Het is me duidelijk geworden dat de golven van zee en rivier, buiten de wiskundige sinusachtige formulering, niets met mekaar gemeen hebben. De golven van de oceaan beuken continu tegen de scheepsromp, van alle kanten komen ze - het schip moet er werkelijk doorklieven. In een omgeving waarin divergentie de plak zwaait, is het een voortdurend gevecht, met veel opspattende waterspray en uitdeinend schuim. Daarenboven vechten de golven op zee ook tegen mekaar: “IK wil de grootste zijn, uit de weg jij”, is het leitmotiv op zee: er wordt geduwd, van alle kanten om er bovenuit te steken.

Op de rivier verloopt dit alles helemaal anders. De golven volgen elkaar, schuiven onder de romp door, de één volgt netjes de ander, zonder onverwachte uithalen, ze convergeren aan de horizon. Ze geleiden de reiziger rustig en onopvallend verder. Geen van hen probeert echt de grootste te worden en op die manier anderen met geweld te verdringen. Stroomafwaarts helpen ze het schip vooruit, de boeg heeft het makkelijk om erop en over te glijden. Als de wind jaagt, lijken ze zelfs mekaars koppen te beschermen, zoals een kudde dieren doet bij gevaar. Convergentie is het immanente doel van riviergolven, ongeacht de omstandigheden.

Deze twee kenmerken, in verband met richting en golven, leiden tot heel wat uiteenlopende karakteristieken in de sensoriële percepties. Een freudiaans diepteanalist zou aan dit alles een gemakkelijke en smakelijke kluif hebben, maar als gewoon toerist, met tijd om stil te staan en om prikkels te absorberen, kwam er uit dit alles een nimbele symboliek te voorschijn.

Teneinde niet vervelend te worden in de quasi-lyriek die inherent is aan deze oefening, zal ik trachten bondig te zijn. In de aanhef heb ik “EGO” en “ALTER” als etiketten gebruikt om een bepaald gedrag of karakter te typifiëren. Het zal niemand verbazen dat de zee, en a fortiori de oceaan, overkomt als een dominante substantie die arrogant haar eigen, wilde weg gaat. In die zin is ze EGOïstisch. De rivier daarentegen dient en ondersteunt, ze begeleidt, kalm en richtinggevend. Op die manier is een rivier “ALTRuïstisch”. Ik kan me voorstellen dat primitieve volkeren tot dezelfde conclusies zijn gekomen; daarom zijn ook riviergoden dikwijls beschermend, en worden zeegoden doorgaans gevreesd.

Wat me echter het meest gefrappeerd heeft, is de manier waarop deze twee waters hun eigen specifieke omgeving creëren. Op de Amazone varen is naar een rustige symfonie luisteren: er is een wederkerend thema, er is cohesie, de strijkers leiden de melodie, de percussie is doorgaans nauwelijks hoorbaar. Men wordt gedragen en soms gesust. Op de Atlantische Oceaan is het doorgaans lawaaierig – percussie en zware bassen die steeds terugkeren, meestal niet in de maat. Er is geen trouwens maat, er is altijd chaos. Kortom de muziek is anders, voor zover men bij de zee van muziek kan spreken. Men wordt geschud en soms gestoord.

Wat zien, ruiken en voelen betreft is het me opgevallen dat op de rivier het schip in het algemeen, en mijn balkon in het bijzonder, veel zachter is dan op zee. Dat merk je aan de geur die overal hangt; op zee is die anorganisch, metaalachtig, op de rivier is hij organisch, “des Menschens”. Ten andere, op zee is er altijd wel zout op de reling – en ook op het balkon ligt dikwijls een witgrijze film van uitgedroogd zeewater. De rivier is, wat dat aspect betreft, veel vriendelijker en laat het hout gewoon zichzelf zijn, zonder additieven en zonder agressie.

Het schilderij, den tableau zeg maar, waarin men beweegt, ressorteert bij de twee waters ook zeer verschillende effecten. Op de Amazone is het kleurenpalet uiteraard veel gediversifieerder, zowel qua kleur op zich als qua intensiteit. Dat heeft zeer zeker te maken met de oevers die, dichtbij, diepgroene bomen en, ver weg, pastelbruine muurschimmen op het doek projecteren. Daarnaast tovert het ook de mooiste wolkenformaties, die doorgaans enkel boven land hangen en een horizont vormen in schakeringen van zilver: van hellichtend, over zilvergrijs, tot donker geoxideerd. Tot slot vindt men er eveneens de talloze tekenen van menselijk activiteit, zoals boten, huizen en een veelheid aan dieren, die de natuurlijke omgeving aanvullen met een weldoende leven-digheid.

Op de oceaan zijn vormen van levendigheid enkel verbonden aan de eindeloze en inhoudsloze beweging van de golven. En de wolken? Het is eigenaardig: aan een Noordzeestrand, vanaf het land naar zee kijkend, kan men dikwijls schitterende formaties bewonderen, maar te midden van de oceaan is dat effect uiterst zeldzaam. Los van de zonsondergangen, is de hemel meestal een weinig-geschakeerd witgrijs tapijt dat zich tot aan de horizon uitstrekt waar het, in de tropen tenminste, versmelt tot, en met, vochtig wit water. Hoewel op zee de ontelbare gradaties van blauw, met wit gekroond of beschuimd, een visuele dynamiek creëren die wat kan boeien, verwordt alles snel tot een eentonige uitgestrektheid, die niet uitnodigt noch afstoot - een neutrale, ietwat verveling-wekkende achtergrond.

Het moge duidelijk zijn dat de uitnodigende en levendige grote rivier – AMAZing Grace - me meer charmeert dan de wat vijandelijke en uitgestrekte oceaan. In zekere zin, en met veel enthousiaste overdrijving, heb ik dit spelletje een ontdekkingstocht gevonden van een 21-eeuwse man met veel prehistorische tijd om te doden. Wat me er het meeste aan heeft verwonderd was hoe dicht de daarbij gevoelens aanleunen bij oude culturen waar goden, nymfen, amazones en andere tovenaars uit gelijkaardige observaties ontsproten zijn.

Prinsendam, donderdag 27 januari 2011

Onderweg naar het water/ijs van Antarctica

P.S. Ik heb me gerealiseerd dat een dichter, in veel minder doch met veel pakkender woorden, dit alles in een parelend poëtisch kleedje zou hebben gegoten, zodat de lezer dagdromend van vloeiende versjes zou hebben genoten. Helaas, wat niet in mijn hand zit, kan er –behoudens miraculeuze tussenkomst van hogere machten – niet uitvloeien…

Over "de wereld", "een wereld" en werelden

nederlandsPosted by grim(m)burger 2011-01-21 13:04:48

Kennen de bewoners van Amazonië “de wereld”? vragen sommigen zich af. Welnu, kennen westerlingen de wereld? vraag ik me af. Waarom vinden Amazoniërs een maaltijd met maniok en zoetwatervis gewoon fantastisch? Waarom eten westerse kinderen liever hamburgers? Hebben wij niet allemaal werelden naast mekaar, en heeft niet elk van ons slechts één leven in één (eigen) wereld?

“De” wereld heb ik persoonlijk altijd al een eigenaardig begrip gevonden. Kort gezegd ben ik van mening dat het woord “wereld” nooit tezamen met een “bepaald lidwoord” kan gebruikt worden. (In de huidige westerse wereld betekent dat natuurlijk niets meer, want onze taalbeheersing is zodanig uitgevlakt dat zulke nuances voor velen niet meer tot onze wereld behoren). Met andere woorden, “wereld” is een attribuut van één leven, van één persoon, en niet omgekeerd: een groep van personen behoort niet tot een welbepaalde wereld. Uiteraard vertonen de leefwerelden van plaats-, tijds- en nestgenoten veel overlapping, maar dat sluit niet uit dat er ook grote gaten zijn. Trouwens als we, puur wiskundig gesproken, “een wereld” als een oneindige verzameling van elementen beschouwen, dan blijft het verschil tussen twee werelden, ook een oneindige verzameling, ongeacht hoe groot de doorsnede moge zijn. (Tussen haakjes weze gezegd dat Spinoza stelde dat “een wereld” alvast een oneindige verzameling van attributen en modi is).

Misschien maak ik er me met die abstractie wat makkelijk – of afstandelijk, of hoogdravend – vanaf. Uiteindelijk, denken wij, in “het Westen”, (zoals, niet te vergeten, velen in “het Oosten”) dat “wereld” ook minstens “beschaving” van de mens en kennis van de aarde (in de meest uitgebreide zin) veronderstelt. Wij hebben zodoende in en vanuit onze eigen ervaring een veralgemeende definitie van “wereld”, en “beschaving” geconstrueerd, en die hebben we vervolgens verheven tot een, of zelfs dé, standaard. Dat lijkt me een arbitraire benadering, en ook een beetje postkoloniaal.

De beste manier om in een onduidelijke situatie vooruitgang te maken is zich vragen te stellen. Hier gaan we met wat lukrake vragen. Wat is meer “des wereld’s”, drie uur per dag in de file staan tussen Brussel en Gent, of drie uur per dag met een boot heen en weer naar school varen? Wat is meer des werelds, vis kunnen vangen en braden, of hamburgers naar binnen schrokken zonder te weten waar ze vandaan komen? Wat is meer des werelds, drie dagen op een volle, dansende boot de Amazone afvaren naar Belèm met dorpsgenoten om vakantie bij familie door te brengen, of op twee dagen in een gekoelde SUV naar Spanje rijden? Wat is meer des werelds, de formules voor de zwaartekracht kennen en kunnen toepassen, of een zeewaardige rivierboot kunnen bouwen? Wat is meer des werelds, de nacht doorbrengen op XTC pillen, of twee dagen en nachten in de jungle op jacht gaan na een lepeltje guarenà?

Hebben de lokale mensen, diep in Amazonië (hoewel we hier niet spreken van geografisch geïsoleerde stammen), enig idee van een lange file? van hoe hamburgers gemaakt worden en waarom iemand die zaagmeelschijven een dagelijkse lekkernij zou vinden? van 1200km comfortabel en gekoeld met de auto rijden? Van Newton? Van XTC? Neen, neen, neen en altijd neen. En voor ons geldt exact hetzelfde waar het hun wereld betreft.

Inmiddels hebben ze, op de oevers van de Amazone zelf, doorgaans elektriciteit en, zo te zien, op vele plaatsen, tv. Het komt me voor dat het intensief bekijken van dat laatste apparaat hun kennis van andere werelden rondom zou kunnen vergroten. Schaarse kijkgelegenheid heeft me geleerd dat Braziliaanse tv bol staat van sambavoetbal en telenovela’s. Deze laatsten hebben in Brazilië duidelijk evenveel beschavingsinhoud als in de USA, of bij ons “thuis”, in “de familie”! Als de Braziliaanse TV ook een “Allerslimste Mens ter Wereld” organiseert is het niet ondenkbaar dat er, naast de verwesterde kwissers van Rio en Sao Paolo, ook Amazoniërs zullen mogen terugkomen voor de finale.

Het staat als een paal boven water dat Amaozoniërs minder kansen hebben gekregen dan mensen in “het” Westen, en dan sommigen in “het” Oosten, om bijkomende kennis buiten hun dagelijkse ervaringswereld op te doen. Het staat evenzeer als een paal boven water dat wij, westerlingen, zeker in de laatste eeuw, minder kansen hebben gekregen om een diepe band te ontwikkelen met essenties van leven, met de wonderen van de natuur in onze dagelijkse omgeving. Dat gezegd zijnde, moet ik er, tussen haakjes en op basis van mijn ervaringen in de laatste week, rekening mee houden dat de uitdrukking “als een paal boven water staan” in Amazonië niks betekent, want ze is zeer seizoensgebonden. Het enige wat in het Amazonegebied altijd boven water staat, is een vlottend huis!

De vraag blijft dan maar wat zij van de wereld kennen, en wat wij ervan kennen. Ik zou als volgt willen besluiten. We kunnen slechts kennen wat we ervaren hebben, en tenzij we ook moeite gedaan hebben om dat in onze cortex enigszins permanent op te slaan, liefst onder de vorm van zogenaamd episodisch geheugen (waar ook emotie aan kennis is gekoppeld), is die kennis altijd vaag en furtief. In Amazonas is die moeite doen en die energie opbrengen, een noodzakelijke maar tevens voldoende voorwaarde om de kennis te verwerven om te overleven. In het Westen, zo komt het me voor, zijn moeite doen en energie opbrengen niet meer nodig om, strikt gezien, te overleven. Wij leven overduidelijk in verschillende werelden …

Als besluit lijkt het aangewezen om Einstein er bij te halen: het antwoord op de vraag “Kennen zij de wereld?” hangt af inderdaad van het standpunt of gezichtspunt van de vraagsteller. Dat antwoord wordt daardoor even relatief als het antwoord op de tegenpolige vraag: kennen wij de wereld? Of beter, welke wereld kennen wij?

** ** **

NASCHRIFT: gesprek met een indiaan

Voor de liefhebbers volgt infra een praktijkgerichte analyse die gemaakt werd door een gids die zelf van directe indiaanse afkomst is (hij leeft nu als de eerste generatie in Manaus), voortreffelijk Engels sprak en intelligent overkwam. Hij heeft me uitgelegd, aan de hand van twee voorbeelden, hoe die inheemse mensen redeneren.

In Manaus leven vele afstammelingen van inboorlingen uit Amazonas. Eigenlijk hebben velen hun leefgewoontes niet opgegeven. Ze “squatten” er op los; men noemt de armste, vuilste buurten niet “favelas”, maar wel “indiaanse buurten”. Gedurende de voorbije tien jaar heeft de overheid verschillende gordels van deze buurten (die in halve cirkels rond de stad groeiden) platgelegd. Ze hebben er parken van gemaakt met speeltoestellen voor de kinderen. Straffer zelfs, voor de gewraakte inwoners werden nieuwe, sobere maar moderne condo’s neergepoot met 3 slaapkamers. Daar konden ze gratis 5 jaar wonen. De conditie was wel dat ze “beschaafd” leefden. De overheid organiseerde inspecties. Wat geschiedde? Sommigen zeiden “dank u”, namen het appartement aan en timmerden zich een huis in elkaar om, voor het grootste deel van de tijd, op de stroom te gaan wonen. Anderen zeiden “foert” en schoven nog maar eens op naar de buitenkant. Aan beide kanten van Manaus, vijf kilometer uit het centrum, zijn de heuvels bezaaid met houten krotten, neergepoot aan de oever van de Rio Negro, - allemaal, op palen.

Waarom bieden deze overheidsinitiatieven geen oplossing? Volgens de gids om voornamelijk twee redenen: ten eerste sommige indio’s willen niet beschaafd worden, zij houden van hun leven zoals het is. (Inmiddels zijn er ook indianen die zich “specialiseren” in het “pikken” van elektriciteit, rechtsreeks van de hoogspanningsleidingen. Af en toe stuikt een “specialist” stokstijf en morsdood van de ladder – elektrocutie. Ten tweede kunnen ze de kost om in de stad te leven niet verdienen – immers ze zijn velaal niet opgeleid; ze kunnen enkel vissen, in de jungle voedsel vinden en het land bewerken. Daarom verhuist ook de “dank u” groep naar de eilanden tussen Negro en Solimoes. Zij kunnen op geen andere manier overleven (leefloon heeft hier nog geen slachtoffers gemaakt) De “foert” groep bouwt gewoonweg nieuwe paalwoningen verderop langs de rivier, en blijft vissen.

Het tweede voorbeeld betreft indio’s die universitair geschoold zijn. Dat zijn er bitterweinig. Iedereen die buiten het stadscentrum woont, moet immers eerst per boot naar de lagere en middelbare school. In het beste geval is dat één uur varen, in het slechtste geval … een dag, of meer (op kamers bij familie of stamgenoten). De staat betaalt universitaire studies voor de betere studenten. In de stad wonen kost geld: wonen, eten, transport, … als je geen €1000 per maand verdient is er niet veel plezier aan. Het werkaanbod is vrij schaars. De oplossing is terug naar AF: het land, het dorp, het steltenhuis in het overstromingsgebied. De jongen die in Lake January onze kano bestuurde was er zo één. In het dorp kost het leven niks: maniok groeit er vanzelf, vis vangen is geen kunst, er is overvloed. Het water uit de Rio Negro, met een pH van 4.5 zéér zuur, kan zonder speciaal gedoe en zonder risico worden gedronken. Ze hebben sedert vorig jaar elektriciteit voor €15 per maand (Federaal programma: Luz para todos). Ik heb ook enkele tv antennes opgemerkt. Dàt leven zegt hem meer dan Manaus, Rio of een andere nieuwe wereld! De analyse van wat welvaart en geluk inhouden wordt op verschillende plaatsen duidelijk op verschillende manieren gemaakt, ongeacht van studieniveau.