Along the Silk Road

Along the Silk Road

Overland from the Atlantic to the Pacific

Travelling the Silk Road in 2013

Naar de "Royal Tulip"

nederlandsPosted by grim(m)burger Fri, June 21, 2013 11:19:10

De titel lijkt te insinueren dat er bloemen wachtten aan de aankomst, hier in Alma Aty, waar we nu onze spreekwoordelijke tent hebben opgeslagen, en de laatste voorbereidselen treffen om terug te keren naar huis, of beter naar thuis, bij vrouw en kinderen, en bij minder avontuurlijke – zeg maar, minder zotte – vrienden. Neen, er waren geen bloemen bij aankomst, maar wel een schitterend hotel, aan een vlasrouterprijsje, gelukkig maar.

Vorige woensdag zijn we uit Bishkek vertrokken zoals gepland, en zelfs op tijd, om negen uur. De rit naar de grens met Kazakstan was kort. Bij aankomst aan die grens stond er, voor het eerst, een file: niet van vrachtwagens maar van personenwagens. De auto’s druppelden voorbij de bareel, die metronomisch werd bediend door een ijverige, stug uitziende jonge grenswachter. De formaliteiten voor het uitrijden van Kyrgizië waren simpel, zelfs voor auto en chauffeur. De passagiers moesten allemaal uitstappen, en te voet de grens over. De temperatuur was aangenaam, dus viel de wandeling wel mee.

Bij aankomst in de Kazakstan zone, mochten we allen onze wagens, netjes naast mekaar, aan de kant oplijnen, naast een Mechelse scheper, die later een drugssnuffelaar bleek te zijn. Met uitzondering van de beambte die de paspoorten behandelde, sprak niemand een woord Engels en alle formulieren waren uitsluitend in het Russisch en Kazaks. We hadden er evenmin een idee van welke formulieren we moesten invullen, noch in hoeveel exemplaren. Ik kreeg uitgelegd aan een grenswachter dat onze vertaler)van dienst, Laurent, als passagier was overgestoken. Gelukkig werd hij uitgenodigd om terug in de neutrale zone te komen, zoniet …?

De paperassenwinkel in dit deel van de wereld blijft verbazing wekken. Ook diegenen die de lokale talen begrijpen, weten veelal niet hoe de procedures in elkaar zitten. Nadat alles was ingevuld, is het dan duwen om je plaats niet te verliezen aan het loket. In ons geval was er slechts één loket open. Met de ervaring die we in het verleden hebben opgedaan, vormden we een ‘pakje van zes’ rond het venstertje, zodat er niemand aan de zijkanten door kon wringen. Voor een neutrale buitenstaander zal het erop geleken hebben dat we een bezige bijenkolonie waren, die door één gaatje naar huis wou.

Op een dikke twee uur waren we erdoor. Nu nog autoverzekering kopen! In de hoek van het cafeetje, vlak aan de grens en de stoffige parkeerweide, verkocht een meneer aan een tafeltje “verzekeringen”. Laurent had een prijs voor zes genegotieerd: 5600 KZT (Kazak Tenghe) per auto, dekking voor drie maand. Dat komt neer op €34. De ganse administratieve winkel voor zes wagens kostte nog een uur tijd. Zelf heb ik daar tussendoor wat Danone yoghurt gedronken, om mijn darmen, die weeral in staking waren, wat milder te stemmen. (Achteraf bekeken, denk ik dat de oorzaak daarvan een doos tonijn was, die te lang in de laadbak had gelegen, in de zon, bij 50°C ).

De klok wees bijna half drie aan toen we aanzetten voor Alma Aty, tweehonderd kilometer verder. De weg ernaartoe zou degelijk zijn, hoewel zonder gescheiden, noch dubbele rijvakken. Aanvankelijk waren er nogal wat dorpjes, met veel scholen en snelheidsbeperkingen. Daarna mochten we negentig per uur over de doorgaans vlakke steppe “vlammen”. Na een goed half uur werden we door een politieagent naar de kant gewuifd.

Een mongools type, in bruin uniform met een “Russische kepie”, breed gebouwd, stapte op mijn venstertje toe. Voor zover ik wist, had ik niet te hard gereden. Wat hij zei verstond ik niet, behalve het woord “farie”, wat “faren, koplampen” zou kunnen betekend hebben. Ik haalde de schouders op. Laurent heeft altijd gezegd dat je beter helemaal niks verstaat. Dan begon hij met duim en vingers van beide handen een beweging te maken die met het dimmen van lampen te maken heeft. Papieren, uitstappen en naar het kantoortje.

Zo zag ik dat twee collega’s ook gepakt waren, Joris en Julie. In het bureau stond eenzelfde typetje, wellicht met een ster meer, een beetje vettig te glimlachen. “Fari, fari! Het daagde bij ons dat er in Kazakstan blijkbaar verwacht werd dat men met de lichten aan rijdt! Joris begon in vlot Leuvens uit te leggen dat hij wel verstond wat er mis was, maar dat we daarvan helemaal niet op de hoogte waren, bij het binnenrijden van het land.

De agent bleef lachen en haalde een vijftal aan mekaar geniete bladeren uit zijn schuif. Daarop stonden vele kolommen met nummers, beschrijvingen en getallen. Na wat irrationele interpretatie van zijn uitleg, leek het erop dat het een lijst met verkeersregels en boetes was. Achter onze overtreding stond het getal 8655. Dat zou betekenen veertig euro. Ik kreeg de indruk dat de heren wat onder tafel wilden verdienen. Na al de landen te hebben doorgereisd waar corruptie, volgens de reisgidsen, schering en inslag was, en waarvan we niets hadden gemerkt! – komen we nu in het voorspoedige, goed georganiseerde Kazakstan om … corruptie te vinden?

“Allé jong, da godde toch nie vraoge, da kan nie, we wiste da toch nie”. Joris begon met luide stem te jeremiëren, armen en benen in alle richtingen zwaaiend. De niet onvriendelijke meneer keek wat verbaasd. Na enkele pirouettes, steekt Joris lachend zijn hand uit en zegt “komaan, vergeet het, we wisten het niet, laat ons gaan”. De politieman gaf Joris de hand, en lachte breed. Daarna gaf hij mij de hand en Julie, en we zeiden in koor “Spasiba” (dank u) en vertrokken. Toen ik weer in de auto stapte waren mijn compagnons juist wakker geworden…

De rest van de rit was gebeurtenisloos, al was het maar omdat de steppe eindeloos hetzelfde is. We arriveerden aan de rand van Alma Aty juist op tijd voor het spitsuur. Volgens het “roadbook” lag ons hotel aan de andere kant van de stad. Ook met de hulp van onze gps nam de doorsteek meer dan een uur in beslag. Toen we de oprit van de “Royal Tulip” opdraaiden was ook dat ellendig stukje stadsfile vergeten. We werden onthaald door een groepje Vlamingen die op bezoek waren bij een lokale universiteit. Een vijfsterren hotel, na een vijfsterren reis betekende een welkome verademing.

’s Avonds werden we uitgenodigd door een groepje Kazakse zakenmensen, waaronder de directeur/eigenaar van het hotel. Op de bovenste verdieping werd ons een prachtig diner aangeboden, met schitterende plats en verse lekkernijen. Ik besloot om, voor deze keer, mijn buikloop te vergeten. Eindelijk lekkere rauwe groenten! Eindelijk witte en rode wijn! Eindelijk vis! Eindelijk datgen … wat we meer dan vier weken hadden ontbeerd, en wat we thuis als doodnormaal beschouwen. En naar Kazakse traditie bracht iedereen aan tafel een toast uit. Het feest heeft geduurd van zeven tot half twaalf, en we hebben gesmuld en gedronken dat het een lust was, zoals tieners die thuis komen van een zwaar bergkamp!

Als afsluiter werden we donderdag uitgenodigd voor een rit naar de bergen. De eerste stop was de beroemde ijsring van Alma Aty waar in de jaren zeventig en tachtig talloze wereldrecords werden geschaatst. Op 1600 meter hoog gelegen, in de ijlere lucht, in een windstille vallei was het lange tijd het beste ijsstadium in de wereld. Daarna klommen we verder naar het wintersportcentrum, aan de voet van vijfduizend meter hoge bergen. Zeshonderd meter hoger hielden we halt in het skistation. De temperatuur was fris (15°), de lucht was heerlijk vol, de hemel blauw en de bergen majestueus. Het was een aangename plek om op adem te komen.

Daarmee zijn de negen duizend kilometer vol gemaakt. Iedereen is vermoeid en aan wat rust toe. De meesten – misschien iedereen, kijken ernaar uit om thuis te zijn, ik ook.

Alma Aty, Kazakstan, 21 juni 2013

  • Comments(5)//silkblog.grimburger.com/#post32

De allermooiste bergrit

nederlandsPosted by grim(m)burger Wed, June 19, 2013 20:03:11

Na een miezerige en koude avond is de zon terug van de partij. Met een warm donsdeken over me heen had ik goed geslapen. Om zeven uur was er gestommel in de keuken en eetzaal. Het brood is van gisteren, droog en hard, maar de eitjes waren roodvers, recent gelegd door de familiekippen. Er liggen 560km tussen ons en Bishkek, het doel voor deze lang verwachte dag.

Met de afdaling uit Arslanbob achter ons, rijden we, langs de M41 (cfr Google maps), door relatief vlak en vruchtbaar land. Dit is het Kyrgizisch deel van de Fergana vallei. Ik vraag me af wie deze grenzen getrokken heeft. Immers, langs deze kant van de grens wonen vooral Oezbeken, een volk van boeren en handelaars. De Kyrgiezen zijn in de eerste plaats herders en nomaden, die ganse dagen en maanden met schapen, geiten, paarden, koeien en ezels doende zijn. De recente en latente conflicten tussen beiden, onder meer in Osh, zijn uiteindelijk toe te schrijven aan, zeg maar, de onnatuurlijke grenzen.

Een paar uur later rijden we tussen veelkleurige en diverse rotsformaties langs de oevers van de Naryn rivier, één van de belangrijke zijrivieren van de Syr Darya. De doorgaans goed berijdbare weg loopt een beetje zoals een rups op de kermis: in lange halen naar boven, en naar beneden, soms met een prangende bocht ertussenin. Met drie auto’s, rood-zwart-groen, na mekaar lijkt het wel een losgeslagen carrousel. Heel geleidelijk klimmen we tussen deze struise stenen standbeelden. Iedereen in de wagen is enthousiast over de prachtige woestheid van dit stuk aarde. We stoppen enkele keren om foto’s te nemen.

De tijd lijkt stil te staan, doch vliegt voorbij. Voor we het goed beseffen is het één uur, als we aan het Toktogul reservoir arriveren. Dit meer is ontstaan door afdamming van de Naryn en andere rivieren: hemels blauw, omzoomd door granieten bergen en korrelige heuvels, van inktzwart tot okergeel. We rijden – voor de laatste keer 4x4 ? – tot aan de verlaten rand van het meer, om te picknicken, en wat in het relatief warme water te lopen (20°C)

Diegenen die met mij op reis zijn geweest, zullen weten dat ik onderweg de tijd altijd in het oog houd. Ik maak me druk over het simpele feit dat we na vijf uur slechts honderd tachtig kilometer hebben afgelegd, één derde van de afstand! Omdat het mijn beurt is om het stuur over te nemen, rust ik wat uit op de achterbank van de auto, in de schaduw. Hoe zou het thuis zijn?

Na een uurtje is iedereen klaar voor het grote werk: we moeten nog twee passen over van meer dan drie duizend meter! Alvorens die klim aan te vatten cirkelen we helemaal rond het meer, want de pas begint exact aan de overkant van waar wij gepicknickt hebben. Een rondje van een uur, of meer. De compensatie daarvoor is het bekorende landschap waarbij zon en wolken een gevarieerd spelletje schaduw schaken met de okergele, gekorrelde zandstenen heuvels. En de weg golft op en neer, recht en rond, en weerom recht en anders rond.

Na het stadje Toktogul, draaien we abrupt noordwaarts, richting hooggebergte waar de sneeuw de toppen kroont. In Karakol betalen we tol (dat rijmt!) en dan begint de afstand tussen de wanden te verkleinen en de borden met 7, 9 en 12% volgen mekaar sneller op. Onder de twee duizend toeren is de Toyota niet in zijn sas, en beneden de vijftienhonderd wordt hij een puffende schildpad. Gelukkig zijn er nog afdalingen om snelheid te halen…

Na nog wat geslinger tussen wanden komen we plots in een open ruimte. Voor ons liggen wat zigzag trajecten op de flank van een berg. De groene Hilux begint meer en meer te kreunen, maar de zwarte achter ons doet het blijkbaar ook niet schitterend. Het gaat van langsom trager, en de wind begint te fluiten langs - of door? - ons stalen karkas, doorheen de spleten in de ramen, alleszins. Het is ook veel kouder geworden. Zonder het goed te beseffen ronden we de top: Ala Bel Pas, 3184m.

De geasfalteerde slinger naar beneden daalt eerder zacht. De lucht, wat blauw, grijs en wit, verstrooit het licht tot een perfecte bondgenoot voor het hoge plateau, de Suusamyr Vallei, die zich voor onze ogen groen ontrolt, bevlekt met talloze witte vlekken, bruine stippen, donkere puntjes – respectievelijk yurts, paarden en mensen. En dan vergeet ik de geiten, schapen, ezels, hutten en woonwagens. Dit is de hemel voor de Kyrgiezen. (Je kan niet ontkennen dat twee duizend vijfhonderd meter al een heel stuk naar boven is, in de goede richting dus ..) Een collega vertelt me het verhaal van een veearts van Bishkek die hier met zijn gezin met vakantie is. Hemels mooi en levendig aards is het, maar iedereen is dik aangeduffeld, want het waait hard en de temperatuur is een zevental graden, boven nul.

De tocht door dit hoogplateau duurt zeker een half uur. De vallei wordt langs beide kanten omgeven door besneeuwde bergen. Aan onze linkerkant vormen zich snel witgrijze wolken, aan de rechtse vluchten ze wat uit mekaar. Heerlijk fotomateriaal, maar ik rijd, en “steel” wat snelle kiekjes met mijn klein kodakse. En dan stopt ze, de vallei.

Het vervolg van de route is niet al te duidelijk zichtbaar. Het is naar links, naar de mistige wolken. Hier begint de Tör Aschuu Pas echt. We zien de zigzaggende weg in de wand slechts mondjesmaat verschijnen: lange rechte stukken, stijgnd, verbonden met haarspeldbochten. Naarmate we vorderen begint de Toyota te zweten, of ben ik het? De laatste vier vijf kilometer klimmen we in tweede versnelling, tegen zo een veertig kilometer per uur: een slakkengang die veel zelfbeheersing vraagt – hier met een M5, waw!?!

En dan begint er koude regen te vallen. En dan staan we voor een tunnel, in file, voor het rode licht. Auto’s en vrachtwagens friemelen door mekaar naar het open gat, centimeterwerk. Een vrouw beschermt haar twee zonen met haar jas wijd gehouden, tegen de wind, terwijl ze hun blaasjes ledigen. De wind is zeer krachtig hier, en het is koud. Het begint serieus te sneeuwen. Na een tiental minuten zijn we in het donkere gat: een twee kilometer lange tunnel met wisselend eenrichtingsverkeer. Ongeveer halfweg staan er twee camionetten met hun achterste naar elkaar: lading wordt overgeladen. Driehonderd meter verder staat een vrachtwagen in panne in tegenovergestelde richting: op een paar centimeter van de tunnelwand passeren we ook dat obstakel. Eindelijk … licht (aan het einde van de tunnel).

En stormwind, en sneeuw: de top, op 3586 meter, een nieuw record. De eerste twintig minuten dalen we af in de wolken waarin de pluimpjes vliegen. Dan klaart het uit, en de rest van de afdaling is breed, met vele langgerekte en dus plezierige S-bochten. ’t Is genieten geblazen. (Alexander zal me later vertellen dat hij wat zeeziek werd, achterin de auto). Alvorens we dit natuurpark verlaten, in Kara Balta, betalen we nogmaals vijf dollar. Tien dollar voor zoveel natuurpracht, het is een weggevertje. Ik heb nu vier uur gereden – in de wolken – en laat het stuur aan Jean voor de laatste loodjes. (Die drie uur zullen in beslag nemen, wegens onvoorziene omstandigheden)

Het verkeer naar Bishkek is zeer druk, en chaotisch, in beide richtingen. Vanaf de weg hebben we nog een innemend vergezicht op de besneeuwde toppen van de Tien Shan, die we zopas hebben overgestoken. Plots loopt er een bekende armenzwaaiend de weg op: het is Carl. Zo na bij het doel gekomen, en toch nog een panne? De witte Landrover staat aan de kant van de weg, beschaamd, onder wat bomen. De motor heeft het blijkbaar begeven … misschien omdat ze twee franse “jeunes dames” een lift hadden gegeven, die ze waren tegengekomen in een schilderachtig dorpje op een dertigtal kilometer van de hoofdweg? Wie zal het zeggen? Wij hebben de madammekens meegenomen tot aan ons hotel, alwaar ze een taxi hebben genomen naar het ‘gasthuis’ waar ze gratis konden slapen, en warm water ter hunner beschikking zouden krijgen (wat ze ten zeerste apprecieerden, want het was vier dagen geleden).

Het is kwart over negen als we uiteindelijk een kamer hebben en wat te eten bestellen. Foei, het restaurant is om negen uur gesloten. Voor twintig dollar de man krijgen we taaie, koude biefstuk met vettige frietjes, en champignonsoep: speciale take-away service. Het bed was een verlossing. De film van de dag zal een zalige droom worden: de schitterendste bergrit uit mijn leven!

Bishkek, 18 juni 2013

P.S. Over de vrije dag in Bishkek valt niet veel te zeggen. Het is een doordeweekse continentale provinciestad die hoofdstad wordt genoemd, omdat er nu eenmaal een hoofdstad moet zijn als men grenzen heeft getrokken. Morgen rijden we naar het voorlopig eindpunt: Alma Aty, Kazakstan.

  • Comments(1)//silkblog.grimburger.com/#post31

Natuurdag onder torend graniet

nederlandsPosted by grim(m)burger Tue, June 18, 2013 13:35:51

Toen we vanmorgen vertrokken uit Osh, met vertraging zoals gewoonlijk, scheen de zon. De namiddag zouden we doorbrengen, te voet of te paard, in Arslanbob, in het gebergte dat door de noordelijke helft van Kyrgizië snijdt: Tien Shan. Dit langgerekte massief zorgt ervoor dat de bergen in de “Knoop van Pamir”, die aan de zuidkant worden omkneld door de Hindu Kush, het bekende Afghaanse massief, worden opgestuwd tot bijna achtduizend meter. Wegens die kruising wordt het kruispunt in bergtaal trouwens een “knoop” genoemd.

Het sleutelwoord vandaag was opnieuw “homestay”; tegenwoordig hebben de specialisten, zeg maar de marketeers, daarvoor ook een nieuwe naam gecreëerd: community-based tourism. Hoewel dit een uitgelezen (en goedkope) manier is om het leven van de lokale mensen te ontdekken, zal ik blij zijn als we de rest van de week in goede hotels zullen overnachten.

Laat me duidelijk zijn: de kijk op het dagelijks leven van de lokale mensen vanuit een (al dan niet luxueus) hotel, is onvergelijkbaar met het gedeeltelijk deelnemen aan het leven van een familie, al is dat maar op het vlak van eten, douchen en slapen. Zonder enige twijfel is dat een pluspunt als men onderweg wat meer wil doen dan “het land bezoeken”. Na vijf weken intensief reizen, waarbij de vermoeidheid accumuleert en men niet vrij is van bepaalde fysiologische ongemakken, is de luxe van een hotel echter welgekomen.

Arslanbob is volgens de GPS slechts negentig kilometer verwijderd van Osh, een makkie voor doorwinterde spoorzoekers. Eerste hindernis is de grens ontwijken. Inderdaad, de normale weg loopt noordoostelijk naar Jalalabad, maar… die snijdt een tiental kilometer door Oezbekistan. En dat is een onoverkomelijke hindernis want we hebben geen “re-entry” visum en, daarenboven, hebben we geen zes uur de tijd om eerst binnen te geraken, en dan terug buiten: dus is er een deviatie voorzien van zeventig kilometer, met talrijke dorpen, waardoor we rond Oezbekistan rijden.

Het tweede probleem wordt het weer: als we noordoostwaarts de vallei inrijden pakken donkere wolken zich samen aan de hemel, tegen de granieten muur die we voor ons uit zien oprijzen. De rivier die we volgen heeft zijn hoogste stand wellicht enkele maanden geleden bereikt; vandaag blijven er enkele wat woeste geulen over, zeker drie meter onder het maximum. Na vijftig kilometer slaan we links af voor het laatste stuk naar Arslanbob, op 1500 meter hoogte gelegen.

Als we in het centrum toekomen is de regen aan zijn proefwerk begonnen. Het is ook merkelijk kouder geworden. Zelf heb ik noch een regenjas, nog een warm trui met lange mouwen mee. In korte mouwen en korte broek sta je net lang genoeg uit de wagen om de blaas te ledigen. Het wordt gauw drie uur in de namiddag alvorens onze bagage in een kamer ligt. Goddank zijn er zes vlasrouters doorgereden, zodat er veel plaats is. Elkeen die het wil heeft een eigen kamer, mét bed, verdeeld over een viertal huizen. De regen is gestopt maar de hemel voorspelt niks goeds.

Met het slechte weer is de paardentrekking afgelast. Wegens het late uur is de wandeltocht naar de grote (tachtig meter hoge) waterval evenmin een optie. Dus vertrekken we voor een wandeling van drie uur naar de kleine (23m) waterval, die tevens een religieuze trekpleister is, en het “beroemde” woud van notelaars. Zeshonderd vierkante kilometer groot en op een gemiddelde hoogte van 1800 meter schijnt het uniek te zijn in de wereld. Waarom deze unieke vruchten niet tegen een hoge prijs worden geëxporteerd is een raadsel(tje).

De waterval hebben we gezien, maar hij krijgt geen ster. Het walnotenbos heeft ons wat tegen de regen beschut, want die gutst na een half uur klimmen gestaag uit de donkergrijze hemel naar beneden. Ter informatie: ik heb wel geen warme kleren maar heb wel mijn “emergency poncho” uit mijn Amazone-avontuur mee. Dat helpt een beetje tegen het nat, echter niet tegen de vochtige kou. De bergen rezen vlak voor onze neus op tot meer dan vierduizend meter, maar zijn onzichtbaar. Met zijn drieën zijn we na een uurtje klimmen teruggekeerd. Tot in het dorp is dat redelijk makkelijk gegaan, maar het huis terugvinden waar we onze intrek hadden genomen, is niet simpel: het adres is “het huis van Genbogan”. Na drie kwartier, en veel vragen, is het gelukt.

Het voordeel van de vroege terugkomst is dat alle “faciliteiten” beschikbaar zijn, voornamelijk het wc en de douche. Allebei in één exemplaar, maar met drie valt dat te regelen. De douche is uniek te noemen: een voorkamertje met een piepklein lampje, vol met allerlei schoenen van de familie (koppel, oudere dochter en twee peuters), natte handdoeken en wat poetsgerief, alles tesamen één meter op twee. Een ander deurtje leidt naar de “douche kamer”, twee meter op twee, inclusief iets wat op een warmwaterketel lijkt. De douchekop heeft een twintigtal gaatjes en uit een vijftal komt er water, lauw zelfs! Letterlijk met haken, ogen en koordjes wordt die douchekop op één plaats aan de zoldering stabiel gehouden. De dertig watt sterke lamp flikkert af en toe, maar ik voel geen elektriciteit aan mijn voeten… Over het wc kan ik kort zijn: een westers ‘zitje’ met een directe, natuurlijke beerput, er recht onder. Omdat onze auto er vlak naast geparkeerd staat, denk ik effen dat het menselijk mest tot aan mijn wielen schuift. Toch niet, een betonnen plaat in de grond maakt dat onmogelijk. De stank kan echter niet door beton gestopt worden.

De gastheer was vroeg begonnen met de bereiding van het avondmaal: plov, deze keer met katoenzaadolie. Lekker, en therapeutisch goed voor de darmen. Na de plov hebben we gekaart: kleurenwies met één licht aan de muur, een neonlamp. Een beetje van een andere wereld toch, maar ja, Centraal-Azië is een andere wereld.

Arslanbob, 16 juni 2013

  • Comments(0)//silkblog.grimburger.com/#post30

Afspraak op de Pamir Highway

nederlandsPosted by grim(m)burger Mon, June 17, 2013 20:09:26

Zondagmorgen, acht uur. We worden wakker in Osh. Meestal schrijf ik ’s avonds, bij de aankomst. Dat is niet gelukt om twee redenen: één, waren we slechts om half negen ter plaatse en, twee, heeft het tot half twaalf geduurd tot we gevoed werden.

Om met dat laatste te beginnen: we slapen bij een gastgezin. Twee kleine kindjes en een jong koppel hebben er een groot huis, waarin veel plaats is. Misschien denken ze nog aan veel uitbreiding, ofwel zijn ze aan het sparen om het vol meubelen te zetten:immers, naast wat minder-comfortabele bedden staat er niet al te veel in de “slaapkamers”. Ware het niet dat ik al wat ben afgevallen, dan had mijn vering-matrascombinatie misschien tot op de grond doorgehangen. Ach, dat hoort erbij; de mensen zijn zeer vriendelijk, en de kindjes – natuurlijk, zeer lief. Na het deponeren van onze bagage gingen we naar het rendez-vous voor het avondeten, met de auto. Voor iedereen klaar was werd het half tien (sommigen vonden het nodig om te douchen en met één douche voor tien man neemt dat wat tijd). We bestelden wat bier, soep en de schotel van de dag (spaghetti met beef).

Onder een tent van witte gordijnen, voorzien van een grote ovale lage tafel (zoals de Japanners), mochten we ons, nogal ongemakkelijk voor de meesten, op matten en gesteund door enkele kussens, neervlijen. Onze gids had deze plek uitgekozen in het (rijke) zuidelijke gedeelte van de stad. Er speelde ook “muziek”, en er was ook een bar met veel oranje verlichting. Na een goed half uur krijgen we bier, er was slechts één soort meer beschikbaar, van Russische makelei en, hoe kan het anders, een fles vodka voor de liefhebbers.

Om elf uur kwam een kelner ons vertellen dat het nog twintig minuten zou duren. Algemene verbijstering en verontwaardiging! Enkele tafelgenoten stapten op, en kwamen dansend terug. Niet alleen was er muziek (zoals in quasi alle grote restaurants in Centraal-Azië), er was een disco. Met wat goede moed vlogen de twintig minuten voorbij. En dan nog twintig – de honger was helemaal weg, en de vaak domineerde alles. En dan: hoera: spaghetti met wat beef, letterlijk. Elke Belgische teenager kon dit in een handomdraai thuis klaar maken als er kokend water, spaghetti en corned beef voor handen is.

Nu kon alles snel gaan: rekening, wc en weg. Op weg naar het wc ontdekte ik dat het niet alleen “muziek” was, maar een “full blown disco”, zwart van het volk. Blijkbaar was het ook een plek voor de "high society" want de jonge dames die de hoge hielen lichtten aan de verste kant, waren glitterend uitgedost. Een soort van bodyguard zorgde ervoor dat vreemden hen niet vervoegden. Het wc bleek ook modern te zijn: geloof het of niet, er was één wc, één, voor het ganse etablissement. Samen aanschuiven is een gegeerd sociaal spelletje. Voor acht dollar waren we uiteindelijk gesteld en om half een lag ik in mijn hangbed!

Eerder in de dag hadden we de Oezbeekse grens overgestoken. Ik zal jullie de kafkaiaanse administratieve beslommeringen besparen. Het was alles samen bijna vier uur “werk”, waarbij de Kyrgiziërs slechts verantwoordelijk waren voor een half uurtje daarvan. Aan hun kant werden we ontvangen met groenten, fruit, drank en wisselkantoren. In Kyrgizië blijven we bij “som” (of soem) maar ze zijn wel vijftig keer meer waard en er is geen zwarte markt.

Het andere evenement van de dag was een uitstap naar een pas, op 2400m, ten zuiden van Osh. We waren later gearriveerd dan verwacht maar het weer was schitterend en we besloten de zestig kilometer aan te vangen. Deze weg, bekend als de Pamir Highway, werd door de Chinezen aangelegd om sneller hun goederen naar de lokale markten te brengen. Het is de eerste weg die de vergelijking met onze betere westerse wegen kan doorstaan: bijna een biljart. Op die manier was de afstand een kleiner probleem dan we gewoon zijn geworden. Om half vijf stonden we er en het was een fantastische beleving, naar alle mogelijke aspecten. In de verte rezen de massieve granieten muren van de zogenaamde “Knoop van Pamir” als zwart-witte reuzen. Overal waar we keken glooiden langgerekte bergweiden, gevuld met leven: mensen, kippen, paarden, schapen, ezels en koeien.

Dit was het zomerverblijf van de Kyrgizische herders, hun dorp lag heel diep in het dal, nauwelijks zichtbaar. De ganse pas was bezaaid met leven, groen golvend in alle richtingen. De kinderen, eerst wat schuchter, volgden ons, zwaaiend met de handen en armen, breed lachend ook. “Hello” zeiden ze, de ouderen wisten zelfs trots “how are you?” te roepen. En iedereen wou op de foto: poseren, lachen, wuiven, nog poseren, weglopen en terugkomen. Volle twee uur hebben hoog in die pas rond gelopen en massa’s foto’s gemaakt, zowel van bergen, dieren als mensen. Tegen zessen kwam er nog een trouwkoppel met gevolg wat vieren, de Bentley’s stonden geparkeerd aan de kant van de weg. In feite is het tafereel onbeschrijflijk, tenminste voor mij. Diegenen die een betere impressie willen krijgen, kunnen best naar de talloze foto’s komen kijken – na de zomer!

Osh, 15 juni 2013

  • Comments(0)//silkblog.grimburger.com/#post29

Naar de Fergana Vallei

nederlandsPosted by grim(m)burger Fri, June 14, 2013 20:14:48

Vandaag hebben we de droogte en, zo blijkt vanavond, ook de hitte achter ons gelaten. Het is nu half elf en 14°C in Andijan, Zuidoost Oezbekistan. Acht jaar geleden was deze stad het toneel van zeer zware onlusten met honderden doden. Bij aankomst deze namiddag lag de stad eveneens overhoop: overal tegelijk waren er werken, en de andere straten waren eigenlijk een verzameling van putten met hier en daar wat platte stukjes.

Maar goed, we verblijven nu in het hotel “Elita”. Zoals de naam impliceert is het niet slecht; mijn kamer is groot (zes meter op vier), met twee ledikanten aan de twee muren, en verder nog bemeubeld met allerlei Sovjetstijl, oud meubilair. Tussen twee vensters stroomt er warme lucht naar buiten en koele naar binnen.

De rit van Tasjkent naar Andijan is voorspoedig verlopen, zij het met wat verwachte en onverwachte moeilijkheden. Onder de eerste categorie ressorteert de zoektocht naar diesel. Uit verschillende bronnen hadden we vernomen dat zelfs in Tasjkent diesel een schaars goedje was geworden. Dat heeft blijkbaar te maken met het feit dat de raffinaderij in Bukhara vorig jaar is uitgebrand. Er wordt hier intussen zelfs diesel verkocht langs de weg in cola en fantaflesjes, a rato van één dollar voor een flesje.

Dat alles betekende dat we meer dan een half uur door de stad moesten laveren om een tankstation te vinden met diesel, om juist te zijn met “goede” diesel want blijkbaar wordt er hier en daar water bij gekieperd! Uiteindelijk vulden we ons tanks en jerrycans aan de redelijke prijs van anderhalve dollar per liter. Zo waren we goed voor meer dan zes honderd kilometer autonomie.

Na deze “ommegank” kwam het echte werk: om in de Fergana Vallei te geraken moesten we door en over de uitlopers van het Tien Shan gebergte. Op de kaart stond de pas gemarkeerd als 2200m hoog. Bij het binnenrijden van het gebergte moesten we onze auto laten registreren door de politie. Dit was ook de eerste keer dat er goed bewapende militairen bij te pas kwamen. De overheid houdt hier duidelijk een oogje in het zeil.

De weg naar omhoog was heerlijk, met oker en groen, ondersteund door wat smaragd gekleurde meertjes. Sinds enkele tijd zijn er ook twee tunnels geopend, waardoor we het laatste stuk naar de top letterlijk links lieten liggen. Aan de andere kant begon het onverwachte: een enorm zwaar onweer. Dat is in de bergen altijd een belevenis maar in dit land, op deze bergen, met deze chauffeurs en met de tropische regen nam het wat hallucinante vormen aan. Mijn twee collega’s lagen te slapen toen het schouwspel begon.

Het is onmogelijk te beschrijven in enkele woorden en ik heb geen tijd voor vele woorden (morgen moet ik vroeg paraat zijn om de grens over te steken). Stelt u zich gewoon een redelijk brede weg voor, nogal ongelijk en her en der een put, waarover water in beken naar beneden stroomt. Op deze neerwaartse weg zijn er helemaal geen wegmarkeringen en de meeste auto’s rijden zonder lichten. Gelukkig was op en af gescheiden door een muurtje. Na een tiental minuten begon het dan te hagelen (knikkermaat), terwijl de modder van de steile hellingen langs de weg naar beneden gutste. Toen we, een half uur later, beneden waren, werd het rustiger en, god zij dank, veel koeler.

De zon hebben we sindsdien niet meer gezien, maar dat is niet zo erg. Morgenvroeg is ze helemaal terug, zegt het weerbericht. De volgende twee dagen zal er wellicht geen nieuws zijn, aangezien we in de bergen, in yurten of tenten, slapen – stil, zonder internet.

Andijan, 14 juni 2013

  • Comments(1)//silkblog.grimburger.com/#post28

Kilometers vreten tot Tasjkent

nederlandsPosted by grim(m)burger Thu, June 13, 2013 18:56:55

Als deze reis een rally was, dan zouden we het vandaag, woensdag – namen van dagen verliezen hier hun betekenis - een verbindingsrit genoemd hebben. Natuurlijk is het geen rally, hoewel er wel één auto twee keer door de politie werd gestopt voor overdreven snelheid. Het was de auto van de meisjes, waarin ook de Oezbeekse gids had plaats genomen. Hij heeft de boetes weggepraat.

Het moge duidelijk zijn dat er tussen Samarkand en Tasjkent niks te zien is buiten wat katoen- en tarwevelden, wat verloren dorpen en, in de zuidelijke verte, sneeuw op de toppen van de hoogste bergen – die van Tadzjikistan.

Wat er wel nog bezienswaardig genoemd kon worden, waren twee houten plakkaten langs de weg in de vorm van politiewagens, met hun specifieke kleuren incluis. Het is pas als je honderd meer ervan verwijderd bent dat je merkt dat het namaak is. Geen geweldig idee voor de tewerkstelling, maar wel kosten besparend, en effectief. Wat betreft tewerkstelling kan men hier niet klagen: om de twintig kilometer staat er wel ergens een zwaar bemande politiepost voor controle. Op die plaatsen verschijnt er een wachthuis en is, zonder pardon, de weg opgebroken, zodat je er stapvoets door moet.

Een twintigtal kilometer voor Tasjkent hebben we ook de Syr Darya overgestoken. Deze rivier, die in het Tien Shan gebergte ontspringt, en in het Aral meer uitmondt (tegenwoordig slechts mondjesmaat, wegens dammen voor irrigatie), vormt de noordelijkste grens van de veroveringen van Alexander de Grote. Ze werd in die tijd Jaxartes genoemd, en is altijd van levensbelang geweest voor het leven in deze streken. Met deze oversteek heb ik nog een bolletje in mijn “Alexander to see” boekje zwart gemaakt.

Tasjkent zelf is een grote, doch aangename stad (te warm voor mij, uiteraard) van bijna drie miljoen inwoners. Zij is gebouwd door de Russen, die eraan begonnen in de 19de eeuw. Omdat elke stad van één miljoen inwoners in de Sovjettijden, onder het communistisch bewind, bij decreet een metro moest hebben, is die in 1977 in Tasjkent gebouwd. Net als in Moskou, zijn de stations netjes aangekleed met kunstige versieringen. Waarom er niet mag gefotografeerd worden is dan weer een onopgelost raadsel.

Sinds de onafhankelijkheid (’91) heeft men het “Independence Square” uit de grond gestampt. Badend in groen en heel veel bloemen, mag het er zeker zijn. In tegenstelling tot bv in Azerbeidjan en Turkmenistan, vindt men in het straatbeeld geen portretten van de president, Karimov. Wel is elk monument van één van zijn spreuken voorzien. De monumenten zelf beelden altijd iets uit rond moeder en, dikwijls, kind. Zo is, zeer opvallend, het monument van de “onbekende” soldaat in feite een sculptuur van een in-trieste moeder, gebeeldhouwd achter de eeuwige vlam. Ernaast werd een mooi, ingetogen gebouw opgetrokken in oude stijl voor de honderdduizenden soldaten uit Oezbekistan die in de tweede wereldoorlog zijn gesneuveld. Al hun namen zijn gegraveerd, per provincie, in vergulde ijzeren bladzijden die als boeken in de muren hangen… Impressionant toch wel.

De tweede dag van ons verblijf in deze “Garden City” zijn we begonnen met een bezoek aan de “Kamer van Koophandel”: een delegatie van vijftien Vlamingen was op het appél. De ontvangst werd verzorgd door een mevrouw die tevens de relatie onderhoudt met de Waalse overheid en de Vlaamse (in casu het FIT). Haar naam was, misschien toevallig, Karimova. De grote zaal, met ovalen tafel voor veertig man, was voorzien van alle “oren en poten” qua meubilair, presentatie infrastructuur, en klank en licht. Tot onze grote verrassing nam er slechts één man plaats langs de kant van de Oezbeekse vlag, geflankeerd door twee jonge dames (die niet direct van plan waren om iets anders toe te voegen dan ‘entourage’). De gedetailleerde inhoud van het één uur durende gesprek zal ik jullie onthouden: het was vooral interessant wat betreft alles dat niet gezegd werd. Na de obligate groepsfoto werd de vergadering gesloten.

Terwijl het gros van onze al dan niet gepensioneerde ondernemers met Laurent naar een (echte?) business meeting vertrokken, had ik een afspraak met onze gids, Dostan, om een lens voor mijn camera te zoeken. Een Belg die reeds zeven jaar in Tasjkent woont, wist me te vertellen dat er in de stad alvast geen Canon winkel was gevestigd. Hij vermoedde dat ze met mij naar de “elektronica markt” zouden trekken. Hij had juist geraden!

De markt was een allegaartje van winkels en standjes vol elektrische apparatuur: van smartphones tot air conditioners en koelkasten. Dostan begroette één van zijn talrijke vrienden op de traditionele manier (zoals Karzai Obama begroet, haha!) Volgens die vriend was er slechts één winkel waar een passende lens kon gevonden worden. In die winkel zwaaide een zelfzekere juffrouw van een jaar of dertig de plak aan de “camera toog”. Dezelfde lens als mijn defect model had ze niet. Rondbellen dan maar; zonder resultaat. Ze had wel een echte en prachtige high-end Canon lens voor een slordige $1070. Ze geloofde slechts traagjes dat ik die som niet wou betalen. (In België kost de lens wellicht meer dan duizend Euro). Ze had nog een andere, maar die zat vast aan een camera. Het was een telezoom van 17mm – 135mm. De prijs die ze vroeg was aanvaardbaar, maar het moest in cash worden afgedokt.

“De muur” is in Tasjkent niet gekend. Je kan wel geld krijgen via een kredietkaart in de bank, met paspoort – aan de officiële koers. Ik stelde voor om terug naar het hotel te gaan, waar nog wat dollars lagen. Dostan vond een taxi, een zeer oude Lada met kwikkelende voorzetel. De jonge chauffeur reed barvoets, met zijn linkse dikke teen stevig om het pedaal van de koppeling gekromd. Het dashboard hing vol met Barcelona schildjes: altijd dankbaar om vrienden te maken. Ook Manchester en Liverpool waren ok, Cristiano Ronaldo was een stoeffer, Messi een fantastische gast en Chelsea … “beik, Abramovich, weet je!

Heen en terug, geld tellen (dollars tellen ze even handig en snel als Oezbeekse som, maar het duurt niet zo lang). Dostan bracht me terug naar de hoofdstraat en stopte een taxi, geen gele “wettelijke” wel maar een gewone kleine auto die me wou vervoeren, voor 4000 som. De man nodigde me uit om vooraan te komen zitten, naast zijn krukken. Het was de eerste “automatique” die ik in vijf weken te zien kreeg. Na honderd meter ging hij aan de kant staan, om me een stuk krant te tonen: Belgya 1-0 tegen Serbia. Lees maar, zei hij. Nog wat later begon hij over zijn carrière als voetballer en tenslotte wees hij op zijn linkerbeen, dat afgezet was tot juist onder zijn heup. Hij bleek ook meegedaan te hebben in de Paralympics, bla-bla-bla. Toen we aan het hotel kwamen vroeg hij me of ik Euro’s had. Ik antwoordde van niet, dollars wel. Of hij dan vijf dollar (=10000 som) kon krijgen voor de rit? – en hij wees op zijn been. Ik schudde van neen. Toen ik uitstapte gaf ik hem de vier duizend som, plus één dollar, als souvenir, voegde ik eraan toe. Hij lachte en gaf me de krant.

Tasjkent, 13 juni 2013

  • Comments(0)//silkblog.grimburger.com/#post26

Samarkand ten voeten uit

nederlandsPosted by grim(m)burger Wed, June 12, 2013 04:06:24

Ik was vroeg wakker, de zon trouwens ook. Wat de zon betreft is dat rond half vijf. Sinds we aan de andere kant van de Kaspische Zee vertoefden, is de tijd niet meer aangepast, en dus blijft de zon vroeger opstaan naarmate we oostwaarts vorderen. Wat mezelf betreft, wreef ik me de ogen uit om zes uur. De lichtblauwe lucht en de snel stijgende gele bol brachten me terug in de tijd, achtendertig jaar geleden, toen Gunther juist was geboren. Toen ging ik om zes uur ’s ochtends slapen, op het balkon.

Samarkand is een reflectie van rijke geschiedenis, vooral van de voorspoedige tijden in de veertiende en vijftiende eeuw: de laatste bloeiperiode van een Centraal-Aziatisch Rijk dat zich uitstrekte van Delhi in India tot Istanbul in Turkije, en van de Perzische Golf tot (bijna) in Moskou. De man die dat bewerkstelligde is Emir Timour, ook bekend als Timoer Leng of Timurlane. Uit de overdrijvingen van de gids moest blijken dat deze veroveraar een volksheld is geworden.

Eén van de nadelen van Samarkand t.o.v. Bukhara is dat de historische monumenten verspreid liggen over de stad. Dat heeft tot gevolg dat er nogal wat transport nodig is om die plaatsen te bezichtigen. Het enige vervoer is taxi. Voor toeristen rekent men twee duizend som (één dollar) per rit en per persoon. De tarieven voor toeristen en bewoners verschillen doorgaans met een factor tien, ook voor de entrees (waar tevens een “fototoestel toeslag” dient betaald). In vergelijking met de prijzen van 2010 (uit de gids) is alles inmiddels verviervoudigd: overtreft de vraag het aanbod?

Wellicht het belangrijkste monument is het Mausoleum van Timoer, dat op wandelafstand van ons hotel ligt. De held, Emir en Khan werd negenenzestig (1336-1405). Als je de ribben van de blauwe koepel telt, vind je er eveneens 69! We hebben dat niet geverifieerd! Dit soort van numerologie is in deze streken zeer populair, tot op de dag van vandaag. Tegen de zinderende blauwe lucht rijzen deze gebouwen, in zekere zin strak en eenvoudig gehouden aan de buitenkant, harmonisch op met de omgeving. Binnenin doen ze me denken aan de Moorse stijl in Spanje. De “dôme” van het grafmonument, met een schitterende luchter, verwoordt tegelijk het leven in de dood.

Voor diegenen die door “dood” zijn aangetrokken, kan ik het Shah-i-Zinda aanbevelen. Daar vindt men de “avenue of mausoleums”, uiteraard van minder belangrijke personaliteiten dan de grote leiders (veelal familieleden), maar toch indrukwekkend. De aanwezigheid van hedendaagse graven maakt duidelijk dat de poort naar het hiernamaals hier reeds meer dan zevenhonderd jaar open staat. Dit “dodenpaleis” is gebouwd rond het graf van een kozijn van Mohammed. Men neemt aan dat dit het enige is, wat Genghis Khan niét heeft verwoest gedurende zijn veldtochten.

Over Islam gesproken: het komt me voor dat Turkije het meest islamitische land is dat we hebben bezocht. Terwijl de mensen in deze streek grotendeels islamitisch zijn, is daarvan in het straatbeeld evenveel te merken als van de christelijkheid in onze contreien, niets dus. Ogenschijnlijk is het voor de leiders in Azerbeidjan, Turkmenistan en Oezbekistan niet nodig om het volk rond godsdienst te polariseren om hun macht te behouden of te vergroten (zoals dat – en het is nogmaals gebleken in de voorbije weken – in Turkije onloochenbaar is). De verscheidenheid in etnische oorsprong en taalvoorkeur worden evenmin misbruikt: op dat vlak is alles peis en vree.

Het straatbeeld in Samarkand is er één van rust en kalmte en, in het algemeen, van blijheid. Curiositeit voor vreemdelingen vind je er eveneens. Iedereen, maar vooral jonge meisjes en oude vrouwen, willen met plezier op de foto. En heel dikwijls poseren ze er zelfs spontaan voor. Mij lijkt het evident dat de mensen van Centraal Azië (technisch gesproken zijn dat Turkmenistan, Oezbekistan, Tadzjikistan, Kyrgistan en Kazakstan) zich verbonden voelen met Europeanen, meer dan met Oost-Aziaten (Chinezen, Mongolen, en verder). Europeanen vormen trouwens ook het overgrote deel van de toeristen, Fransen voorop. (In de groep speculeren we dat de Fransen hier hun superioriteit kunnen tonen, zonder bang hoeven te zijn dat ze op hun plaats gezet worden..)

Tot slot iets over de mensen zelf: ze zijn kleintjes en dunnetjes, op enkele pacha’s en madronnes na. Ik verbaas me keer op keer over de flinterdunne benen van de vrouwen. Toegegeven, ze zijn klein van gestalte, smal en licht gebouwd , maar toch lijken ze op korte, dunne steltjes te lopen die ieder op moment kunnen barsten, of breken. Blond haar is uit het straatbeeld helemaal verdwenen. De Mongoolse genen hebben op dat vlak gezegevierd. Blauwe ogen, die in Turkmenistan niet schaars waren, zijn in Oezbekistan op darwinistische wijze weg geselecteerd. Zonder in de diepte te hebben gepeild, lijkt deze samenleving een degelijk evenwicht hebben gevonden met de economische werkelijkheid en de geografische eigenheden. Dat de kinderen voor de katoenpluk verplicht met vakantie worden gestuurd, past niet in dat beeld, en dus blijft er deel van wat er zich in dit land afspeelt, verborgen achter de donkerogige lach van zijn mensen.

Als slaapmutsje nog dit: geld wisselen op de zwarte markt is een belevenis. Doorgaans wordt deze business bedreven door jonge gasten met plastieken zakken, die in groepjes bij mekaar staan. Het bieden op zich is zoals een parket op een beurs waarbij het om procentjes gaat. De officiële koers is vandaag 2100 som voor één dollar. Twee dagen geleden in Bukhara was de zwarte koers 2300 à 2400. Gisteren aan het pompstation hadden we in feite 2000 moeten betalen. Vanavond circuleerden er geruchten over 2700. Na enkele minuten gepalaver met twee concurrenten kregen we inderdaad 2700. Het verrassende was dat de pakjes van 100000 som vanuit het dichtstbijzijnde stalletje naar de “frontman” vlogen, bij mekaar gehouden door rekjes. In Oezbekistan vliegt het geld letterlijk door de lucht! En tellen maar…

Morgen trekken we naar Tasjkent, een relatief nieuwe Russische stad in een eeuwenoud land.

Samarkand, 11 juni 2013

  • Comments(0)//silkblog.grimburger.com/#post25

Halloo, Samarkand?

nederlandsPosted by grim(m)burger Tue, June 11, 2013 04:52:36

Eindelijk, we zijn zonder kleerscheuren in Samarkand aangekomen. Ik ben nu op de kop zeven duizend kilometer gevorderd sinds we Harelbeke achter ons hebben gelaten. De anderen hebben wellicht een kleine duizend kilometer meer op de teller, wegens de uitschieter naar Cappadocië. Er resten ons, grosso modo, twee duizend kilometer tot Alma Aty.

De weg hiernaartoe, uit Bukhara, is marginaal beter dan de vorige dagen, al was het enkel omdat er over omzeggens de ganse afstand (250km) een dubbele tweevaksbaan ligt, met minder slechte stukken dan we gewoon zijn geraakt. Maar toch is het een inspannende rit gebleken wegens: meer auto’s op de weg, meer mensen langs (en op) de weg, drukkende hitte en vermoeiende helderheid van de lucht.

Vooral de dichtere bewoning rond deze grote verkeersas die Bukhara met Tasjkent verbindt, is zeer opvallend. Dat heeft te maken met het feit dat er in Oezbekistan zo’n slordige 34 miljoen mensen wonen - van uiteenlopend pluimage trouwens. Waar de grond niets beters toelaat, daar is er overal katoen gepland. Hier en daar staat er ook tarwe. Op de akkers werken quasi-uitsluitend vrouwen, maar op lang niet alle akkers is er activiteit, en na de middag valt het stil.

Als je ergens halt houdt op een pleintje naast de weg, is de kans groot dat een hoop kinderen naar je auto schieten om in luidkeels koeterwaals te bedelen. Ik heb de indruk dat het veelal Tajiken zijn, een etnische groep die in het zuidoosten een stek heeft,en tevens in Tajikistan en Noord Afghanistan wonen, beiden op een boogscheut van hier. Deze mensen spreken trouwens geen Oezbeeks maar wel Farsi, een Perzische taal. Waar al de mannen van dit land zich schuil houden, zou ik niet weten.

Vier uur hebben we erover gedaan, met respect voor de snelheidsregels (en voor de staat van de weg!). Twee wagens hebben onderweg een bekeuring gekregen. Het binnenrijden van Samarkand was een oefening in slalommen, toeteren, stof en uitlaatgas slikken en wat sakkeren. Het is duidelijk dat deze stad overal leeft, en snel uitdijt. Op het eerste zicht is het een mooie en nette stad. Het toerisme zal daar niet vreemd aan zijn. Trouwens is ook de kwaliteit en de grootte van de huizen en gebouwen net een knoopje meer. En ons hotel? Dat is écht een hotel, met alles erop en eraan – voor een prijs.

Toch was het bij aankomst reeds klein alarm: diesel! Juist, brandstof vinden, diesel dus. Volgens de gids is er in gans de stad (vijfhonderd duizend inwoners) slechts één pomp met een voorraad diesel. Volgens diezelfde gids had de hotel manager al deze diesel van die pomp voor de Vlasroute gereserveerd. We zouden als de weerlicht moeten gaan tanken, zoniet was er misschien geen diesel meer te vinden …!?

Het had wat voeten in de aarde voor we weg waren: de stad terug door, de stad uit en dan nog verder. Na twintig minuten waren we er. Nieuw probleem: geen “power” voor de pompen. Alles geraakt hier wel opgelost, mits een beetje geduld. Toen de diesel eindelijk in onze tanken stroomde, kwam de volgende verrassing: twee dollar per liter (ter vergelijking, in Turkmenistan, betaalden we twintig eurocent). In lokale munt betalen kon ook, maar dan werd de wisselkoers met 20% in ons nadeel aangepast. Wie wordt er allemaal rijker van?

Met al deze vertragingen is het bezoek aan het mausoleum van Timoer Lenk afgelast. De groet aan de stichter en Khan (of Emir) van het laatste verenigde Centraal-Aziatische Rijk is daarmee uitgesteld tot morgen. Een voorstelling van Oezbeekse klederdracht met volksdansen gaat wel nog door. Het wordt eerder de typische toeristenkost met eenvoudige pasjes en dito muziek. De klederen, naar modellen uit de zestiende eeuw, waren dan wel betoverend kleurrijk. Tot slot hebben we gegeten in het restaurant “De Plataan”, regelrecht gekozen uit de Lonely Planet gids. Zonder meer aan te bevelen: soep, beef, espresso, één glas witte wijn (geen voltreffer) en één fles spuitwater gingen gezwind binnen, en dat alles voor tien dollar – duur naar Centraal-aziatische maatstaven maar dit is dan ook Samarkand, met hoofdletter!

Samarkand, 10 juni 2013

  • Comments(0)//silkblog.grimburger.com/#post24
Next »