Along the Silk Road

Along the Silk Road

Overland from the Atlantic to the Pacific

Travelling the Silk Road in 2013

Natuurdag onder torend graniet

nederlandsPosted by grim(m)burger Tue, June 18, 2013 13:35:51

Toen we vanmorgen vertrokken uit Osh, met vertraging zoals gewoonlijk, scheen de zon. De namiddag zouden we doorbrengen, te voet of te paard, in Arslanbob, in het gebergte dat door de noordelijke helft van Kyrgizië snijdt: Tien Shan. Dit langgerekte massief zorgt ervoor dat de bergen in de “Knoop van Pamir”, die aan de zuidkant worden omkneld door de Hindu Kush, het bekende Afghaanse massief, worden opgestuwd tot bijna achtduizend meter. Wegens die kruising wordt het kruispunt in bergtaal trouwens een “knoop” genoemd.

Het sleutelwoord vandaag was opnieuw “homestay”; tegenwoordig hebben de specialisten, zeg maar de marketeers, daarvoor ook een nieuwe naam gecreëerd: community-based tourism. Hoewel dit een uitgelezen (en goedkope) manier is om het leven van de lokale mensen te ontdekken, zal ik blij zijn als we de rest van de week in goede hotels zullen overnachten.

Laat me duidelijk zijn: de kijk op het dagelijks leven van de lokale mensen vanuit een (al dan niet luxueus) hotel, is onvergelijkbaar met het gedeeltelijk deelnemen aan het leven van een familie, al is dat maar op het vlak van eten, douchen en slapen. Zonder enige twijfel is dat een pluspunt als men onderweg wat meer wil doen dan “het land bezoeken”. Na vijf weken intensief reizen, waarbij de vermoeidheid accumuleert en men niet vrij is van bepaalde fysiologische ongemakken, is de luxe van een hotel echter welgekomen.

Arslanbob is volgens de GPS slechts negentig kilometer verwijderd van Osh, een makkie voor doorwinterde spoorzoekers. Eerste hindernis is de grens ontwijken. Inderdaad, de normale weg loopt noordoostelijk naar Jalalabad, maar… die snijdt een tiental kilometer door Oezbekistan. En dat is een onoverkomelijke hindernis want we hebben geen “re-entry” visum en, daarenboven, hebben we geen zes uur de tijd om eerst binnen te geraken, en dan terug buiten: dus is er een deviatie voorzien van zeventig kilometer, met talrijke dorpen, waardoor we rond Oezbekistan rijden.

Het tweede probleem wordt het weer: als we noordoostwaarts de vallei inrijden pakken donkere wolken zich samen aan de hemel, tegen de granieten muur die we voor ons uit zien oprijzen. De rivier die we volgen heeft zijn hoogste stand wellicht enkele maanden geleden bereikt; vandaag blijven er enkele wat woeste geulen over, zeker drie meter onder het maximum. Na vijftig kilometer slaan we links af voor het laatste stuk naar Arslanbob, op 1500 meter hoogte gelegen.

Als we in het centrum toekomen is de regen aan zijn proefwerk begonnen. Het is ook merkelijk kouder geworden. Zelf heb ik noch een regenjas, nog een warm trui met lange mouwen mee. In korte mouwen en korte broek sta je net lang genoeg uit de wagen om de blaas te ledigen. Het wordt gauw drie uur in de namiddag alvorens onze bagage in een kamer ligt. Goddank zijn er zes vlasrouters doorgereden, zodat er veel plaats is. Elkeen die het wil heeft een eigen kamer, mét bed, verdeeld over een viertal huizen. De regen is gestopt maar de hemel voorspelt niks goeds.

Met het slechte weer is de paardentrekking afgelast. Wegens het late uur is de wandeltocht naar de grote (tachtig meter hoge) waterval evenmin een optie. Dus vertrekken we voor een wandeling van drie uur naar de kleine (23m) waterval, die tevens een religieuze trekpleister is, en het “beroemde” woud van notelaars. Zeshonderd vierkante kilometer groot en op een gemiddelde hoogte van 1800 meter schijnt het uniek te zijn in de wereld. Waarom deze unieke vruchten niet tegen een hoge prijs worden geëxporteerd is een raadsel(tje).

De waterval hebben we gezien, maar hij krijgt geen ster. Het walnotenbos heeft ons wat tegen de regen beschut, want die gutst na een half uur klimmen gestaag uit de donkergrijze hemel naar beneden. Ter informatie: ik heb wel geen warme kleren maar heb wel mijn “emergency poncho” uit mijn Amazone-avontuur mee. Dat helpt een beetje tegen het nat, echter niet tegen de vochtige kou. De bergen rezen vlak voor onze neus op tot meer dan vierduizend meter, maar zijn onzichtbaar. Met zijn drieën zijn we na een uurtje klimmen teruggekeerd. Tot in het dorp is dat redelijk makkelijk gegaan, maar het huis terugvinden waar we onze intrek hadden genomen, is niet simpel: het adres is “het huis van Genbogan”. Na drie kwartier, en veel vragen, is het gelukt.

Het voordeel van de vroege terugkomst is dat alle “faciliteiten” beschikbaar zijn, voornamelijk het wc en de douche. Allebei in één exemplaar, maar met drie valt dat te regelen. De douche is uniek te noemen: een voorkamertje met een piepklein lampje, vol met allerlei schoenen van de familie (koppel, oudere dochter en twee peuters), natte handdoeken en wat poetsgerief, alles tesamen één meter op twee. Een ander deurtje leidt naar de “douche kamer”, twee meter op twee, inclusief iets wat op een warmwaterketel lijkt. De douchekop heeft een twintigtal gaatjes en uit een vijftal komt er water, lauw zelfs! Letterlijk met haken, ogen en koordjes wordt die douchekop op één plaats aan de zoldering stabiel gehouden. De dertig watt sterke lamp flikkert af en toe, maar ik voel geen elektriciteit aan mijn voeten… Over het wc kan ik kort zijn: een westers ‘zitje’ met een directe, natuurlijke beerput, er recht onder. Omdat onze auto er vlak naast geparkeerd staat, denk ik effen dat het menselijk mest tot aan mijn wielen schuift. Toch niet, een betonnen plaat in de grond maakt dat onmogelijk. De stank kan echter niet door beton gestopt worden.

De gastheer was vroeg begonnen met de bereiding van het avondmaal: plov, deze keer met katoenzaadolie. Lekker, en therapeutisch goed voor de darmen. Na de plov hebben we gekaart: kleurenwies met één licht aan de muur, een neonlamp. Een beetje van een andere wereld toch, maar ja, Centraal-Azië is een andere wereld.

Arslanbob, 16 juni 2013

  • Comments(0)//silkblog.grimburger.com/#post30